Home   ›   Zien   ›   Natuur   ›   Planten

Planten en bomen op de Heuvelrug


Alles wat groeit en bloeit is een samenspel van de ondergrond en wat de mens daar vervolgens mee doet. De Utrechtse Heuvelrug is daar een prachtig voorbeeld van, de natuur laat zich er lezen als een geschiedenisboek.

 

Bos op zand

Neem die karakteristieke stuwwal. Het ijs in de eennalaatste IJstijd duwde zand en stenen zo hoog op dat zelfs de Maas en Rijn - die oorspronkelijk noordwaarts liepen - hun route westwaarts moesten verleggen. Op en rond die zandige heuvels ontstonden bossen. En daar wisten de vroegste inwoners van het gebied (in de late Steentijd, zo’n 11.000 jaar geleden) wel raad mee: ze kapten de bomen voor hout en om ruimte te maken voor de eerste vormen van landbouw.

 

Droge heide- en zandheuvels

Gaandeweg verschoof de akkerbouw naar de vochtigere dalen van de heuvelrug. De droge, zandige heuvels bleven het domein van koeien, geiten en schapen. Met hun gegraas hielden ze de begroeiing kort. Zo kon het gebeuren dat zo’n 150 jaar geleden meer dan de helft van de Utrechtse Heuvelrug uit heide en stuifzanden bestond.

 

‘Nieuwe’ natuur

Tegenwoordig is nog maar zo’n 5 procent van de heuvelrug heide. De mens greep vanaf eind 19e eeuw namelijk opnieuw in. Dit keer met de grootschalige aanleg van bos voor voornamelijk productiehout.

In de loop der tijd groeide het inzicht dat die eenzijdige bossen niet per se de gezondste en aantrekkelijkste bossen zijn. Tegenwoordig stimuleren we met zorgvuldig beheer de terugkeer van planten en bomen die zich thuis voelen op de zandgronden van de heuvelrug.

 

Berk en bosanemoon

Steeds meer inheemse bomen als berk, eik en beuk komen inmiddels terug. En omgevallen bomen laten we liggen, zodat daar varens en paddenstoelen op kunnen groeien.

Onder de bomen kom je onder meer de blauwe bosbes en klaverzuring tegen. In de oudere, vochtigere bossen en richting de uiterwaarden bij Amerongen vind je hulst, bosanemoon, het uiterst zeldzame slangenlook en de fraaie maar giftige kardinaalsmuts en dalkruid. En misschien ruik je er wel het geurige, donkerpaarse maartse viooltje.

 

Dopheide en klokjesgentiaan

De heidevelden hebben hun eigen begroeiing. Heide, natuurlijk: dopheide op de natte velden langs de Leersumse Plassen en struikheide op de drogere zandgronden van de Remmerdense Heide. Maar ook de intrigerende, vleesetende zonnedauw en zeldzame klokjesgentiaan vind je in de nattere heidegebieden. In het Kombos vind je hier en daar de heerlijk geurende wilde gagel - een teken dat er hier genoeg ruimte voor afwisselende begroeiing is.

 

Waterriet en koekoeksbloem

De uiterwaarden bij Amerongen zijn een verhaal apart. Hier heeft Staatsbosbeheer een moerasgebied aangelegd met een kwelgeul, waar het regenwater vanuit de heuvelrug voor afwisselend droog en nat gebied zorgt. Een walhalla voor vogels en vissen, maar ook voor planten. Zo zijn rijke rietkragen teruggekeerd en vind je er verschillende zeggesoorten, fonteinkruiden, de dotterbloem en de echte koekoeksbloem. Ook de waterviolier met zijn frêle zachtviolette kleur en de waterminnende lidsteng zijn niet te missen.